326 NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
eens over maagpijnen had geklaagd — deze pijnen hem voortdurend en zonder ophouden te hinderen. Waarschijnlijk was het carcinoom, dat reeds lang bij hem aanwezig was, zonder dat iemand er vermoeden van had, bezig in omvang toe te nemen. Hij braakte telkens, een droge hoest vermoeide hem en hij kon moeilijk meer loopen door het toenemend oedeem van zijn bee-nen. Daarbij voegde zich een onweerstaanbare neiging om te slapen, een zware, looden slaap in plaats van de lichte en korte dutjes, die hij vroeger deed, en die hem dwong telkens te bed te gaan liggen, terwijl zijn kamer nooit donker genoeg voor hem was en het minste lichtschijntje hem pijn deed.
In December viel hij, na een korte rit in zijn rijtuig, flauw toen hij thuis kwam. Ter zelfder tijd begon zijn omgeving op te merken, dat — behalve de toenemende bleekheid en kleurloosheid van zijn gelaats-tint — zijn tandvleesch, zijn lippen en zijn nagels geen kleur meer hadden. Zijn handen, die meestal koud waren, werden lijkwit en zijn beenen waren soms tot het midden van zijn dijen gevoelloos van de kou, zoodat men ze moest inwikkelen in gloeiend-heete doeken, zóó heet, dat zij bijna niet te hanteeren waren. De Keizer echter voelde er niets van en verlangde steeds, dat men ze nog heeter zou maken.
Antommarchi verzorgde hem schandelijk. Hij verveelde zich, wijl niemand, noch van de Franschen, noch van de Engelschen met hem wilde omgaan en wijl de afleiding, die James Town voor hem opleverde, niet bijster groot was, wat niet verhinderde dat hij meer daar dan in de omgeving van den Keizer vertoefde, zoodat het herhaalde malen geschiedde, dat hij niet op zijn post was wanneer de Keizer hem noodig had en hem liet ontbieden. Daarbij was de houding, die hij tegenover den Keizer aannam, vlegelachtig en hoogst onbetamelijk. Hij maakte meestal ’s morgens zijn bezoek, dat niet langer dan vijf minuten duurde, niet gekleed zooals de etikette dat voorschreef en deed alsof hij zich wel, ten genoege van den Keizer, leende om mee te doen in het comediespel van diens ziekte, maar had voor zich zelf de overtuiging, hem door Hudson Lowe en sommige officieren van St. Helena ingegeven, dat den Keizer niets mankeerde, doch dat hij alleen simuleerde en dat zijn ziekte een zoogenaamde „politieke” ziekte was. Wèl wilde hij, na eenigen tijd toegeven, dat de Keizer aan een chronische lever-ontsteking leed, gepaard met hart- en maagbezwaren, doch de ernst van den toestand kon of wilde hij niet inzien. Reeds in November begon