318 NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
met het verzoek hem, uit diens aanteekeningen, een ziekte-ge-schiedenis te willen zenden omtrent het begin en het verloop van de ongesteldheid van den Keizer, opdat hij, na de be-studeering daarvan, met anderen en met zijn leermeester zou kunnen raadplegen. Dit geschiedde in de helft van de maand November 1818. Te vergeefs echter wachtte hij op eenig bericht van Fesch; deze liet niets van zich hooren.
Er waren twee redenen, waarom Fesch zweeg: de eerste, wijl hij Foureau de Beauregard liever niet wilde zenden, omdat hij met zijn voorliefde voor lieden uit Corsica liever iemand van dien landsaard verkoos en dien de betrekking gunde; de tweede, wijl hij van het onnoodige overtuigd was, iemand naar St. Helena te doen gaan, omdat Napoleon al lang niet meer op het eiland was en spoedig naar Europa zou terugkeeren. Deze laatste overtuiging was een gevolg daarvan — en eindelijk op den 27sten Juli ’19 openbaarde Fesch aan Las Cases, waarop die overtuiging berustte — dat hem herhaaldelijk door een Duitsche adelijke dame, barones Krüdener, een hysterica, die in dien tijd half Europa in rep en roer bracht, iemand die zich als profetes uitgaf, voorspellingen deed en die zelfs zooveel macht had gekregen, dat de Czaar Alexander geheel onder haar invloed was gekomen (dit laatste ging zóóver, dat de omgeving van den Czaar het eindelijk geraden vond haar van het Russische hof te verwijderen en naar den Krim te doen verbannen), was medegedeeld en verzekerd, dat de Heilige Maagd haar eiken nacht verscheen die haar berichten van Napoleon gaf; dat deze door engelen van St. Helena was weggevoerd; dat men niet wist waar hij op dit oogenblik verblijf hield, doch dat hij zeer gezond was en dat men weldra van hem zou hooren. Het kwam er dus niet op aan wie er gezonden werd, waar Napoleon toch niet meer op St. Helena te vinden was.
Fesch was volkomen te goeder trouw. In zijn ongelooflijke domheid en bijgeloovigheid, was hij overtuigd van de waarheid van wat barones Krüdener hem had meegedeeld: „Ik weet niet, schreef hij, welke middelen God zal aanwenden om den Keizer uit zijn gevangenschap te verlossen, maar niettemin ben ik er in mijn binnenste van overtuigd, dat het niet lang' meer zóó zal duren. Ik verwacht alles van hem en ik vertrouw hem ten volle” . .. Op den 27sten Februari 1819, berichtte hij aan Las Cases: de kleine karavaan is naar St. Helena vertrokken, op het oogenblik, dat wij zelf niet gelooven, dat zij op St. Helena