316 NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
zieke. Veel gevallen van chronischen aard komen voor, met neiging tot terugval, die veel duidelijker is dan bij dyssenterie. Soms gelukt het de kwade stoffen langs een kunstmatige ope-ning te verwijderen. Zoo was het, eenigen tijd geleden, het geval met een artillerie-officier, den luitenant Ackton: het abces etterde en puilde naar buiten, men sneed er in en er kwam een ongelooflijke hoeveelheid etter uit. Het proces kan ook een gunstig verloop nemen, wanneer het abces in de longen doorbreekt ; indien het echter in de ingewanden leeg loopt, heb ik er nooit iets goeds van gezien.....”
Op het einde van Maart 1819, deed de Montholon, namens Napoleon aan Verling het voorstel om hem aan zich te verbinden. De Keizer wilde een geneesheer, zeide hij, die aan hem was gehecht en niet een, die op de hand van den gouverneur was; hij zou hem een honorarium van 12000 francs s’jaars geven en zou hem, voor het geval dat hij zijn betrekking mocht verliezen, een som gelds verzekeren, waarvan de rente gelijk stond met het inkomen, dat hij jaarlijks van het Britsche gouvernement genoot, de Montholon voegde er bij, dat de Keizer niets van hem eischte, dat hem tegenover zijn regeering in onaangenaamheden kon brengen; dat hij geheel vrij zou zijn, doch dat hij in zijn berichten aan den gouverneur eerder den toestand en de ziekte een weinig moest overdrijven dan gunstig voorstellen. Verling antwoordde daarop, dat hij het niet met zijn plicht kon overeenbrengen in bizondere schikkingen met Napoleon Bonaparte te treden en richtte onmiddellijk een rapport omtrent het gebeurde aan den gouverneur, die — hoewel de Montholon volhield, dat het verzoek om de ziekte eer erger dan minder voor te stellen, van hem uitging en dat de Keizer daarvan niets wist — de gelegenheid waarnam om zoodanige maatregelen te treffen en reglementen op te stellen, dat het in in het vervolg onmogelijk werd, voor eenig Engelsch onderdaan, zijn zorgen aan Napoleon te wijden en aan den Keizer om zich door eenig Engelsch officier te laten behandelen. De Keizer bleef zonder geregelde geneeskundige hulp. In die periode werd het zijn gewoonte om gloeiend-heete, langdurende baden te nemen, waarvan hij veel verbetering verwachtte, doch die hem, integendeel, meer en meer vatbaar voor alle temperatuurs-wisselingen maakten en die hem allerlei ongesteldheden bezorgden, waardoor hij uitgeput en zwakker en machteloos werd gemaakt.
Op den 22sten Maart 1818, na den dood van Cypriani, die —