NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 303
in zich sloot zich aan generaal Bonaparte te mogen doen voorstellen, doch dat zij daartoe een speciaal verlof noodig hadden.
Stokoë was echter nog niet van de gevolgen zijner daad af! Hij werd door den gouverneur op Plantation House geroepen en moest daar een scherp verhoor ondergaan en nauwkeurig verhalen, wat hij met Napoleon had gesproken. Daarmee was voor het oogenblik — Stokoë zou spoedig bemerken niet voor later — het incident gesloten!
Hij bleef ongemoeid tot den maand Juli 1818. In dien tijd — of liever kort vóór dien tijd, toen hij zekerheid meende te hebben, dat de Keizer aan een chronische ontsteking van de lever begon te lijden — was O’Meara begonnen de toen gebruikelijke behandeling met kwik-praeparaten op Napoleon toe te passen. Ten gevolge daarvan — misschien was het ook een toevallige onstandigheid — kreeg de keizer, zoowat tegen het midden van Juli, een hevige darm-catarrh. O’Meara, voorzichtig geworden, wilde zijn verantwoordelijkheid dekken en verzocht om een consult, dat hem door Hudson Lowe werd toegestaan, die hem de keus liet tusschen de vier chirurgen, die op St. Helena waren. Door O’Meara daarvan verwittigd, koos Napoleon Stokoë. Doch deze, die uit de aanteekeningen van O’Meara gezien had, dat Napoleon aan een chronische ontsteking van de lever leed en het verbod der Engelsche ministers kennend, dat de Keizer niet aan een leverziekte mocht lijden, wenschte zich van een advies te onthouden. Hudson Lowe nu, deed het voorkomen alsof hij uit die weigering verkeerd begreep, dat Stokoë weigerde om speciaal met O’Meara te consulteeren en trachtte hem een stuk te doen onderteekenen, waarin hij verklaarde, dat O’Meara van een cunsult moest worden uitgesloten. Wijl Stokoë de intrigue doorzag die de gouverneur bezig was daardoor tegen O’Meara op touw te zetten, weigerde hij zijn handteekening onder het geschrift te zetten en gaf als reden van zijn weigering hetzelfde op als wat hij reeds aan zijn admiraal had geschreven, namelijk, dat hij in een zóó moeilijk en kiesch geval een te groote verantwoordelijkheid op zich zou nemen, doch dat hij wèl geneigd was, om — zooals de gewoonte meebracht — met nog twee andere geneesheeren, waarvan één echter, de behandelende geneesheer, dus O’Meara, moest zijn, te beraadslagen. Intusschen beterde de catarrh reeds uit zich zelf, zoodat een consult niet meer noodig was en Stokoë zijn arbeid op de Conqueror weer ongemoeid kon opvatten.