NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 299
zijn buik, vlak onder de ribben, die hij niet anders kon beschrijven dan met het woord „paleur,” maar waardoor hij „éprou-vait comme un besoin d’appuyer, de presser son cöté droit contre quelque chose de dur.” O’Meara gaf onmiddellijk den gouverneur daarvan kennis, terwijl hij er de opmerking aan toevoegde, daaruit — indien er nog eenige andere verschijnselen bij kwamen — te moeten besluiten, dat zich een hepatitis, een ontsteking van den lever, bezig was te ontwikkelen. Wetend hoe wantrouwig de gouverneur was, wachtte hij zich er voor, om onmiddellijk zijn oordeel met zekerheid uit te spreken doph vermelde in zijn rapporten langzamerhand meer verschijnsels — dat de zwelling erger werd; dat er congestie naar de hersenen kon worden waargenomen; er vertoonde zich een pijnlijke zwelling in de rechter zij, enz. — terwijl hij tevens opgaf, wanneer er een kleine verbetering in de reeks verschijnsels kon worden aangetoond. Pas op den lOden Mei 1818 verklaarde hij met zekerheid, dat de Keizer lijdend was „d’une forme chronique et insidieuse de 1’hépatite.”
O’Meara was toen al geheel in ongenade bij den gouverneur, die hem niet vertrouwde, wijl hij hem er van verdacht op de hand van Napoleon te zijn, waardoor hij hem in staat achtte, zijn raporten te vervalschen, ten einde andere en betere levensvoorwaarden voor hem te verkrijgen. Waarschijnlijk zouden de berichten van iemand, die geen geneesheer was, maar die eerlijk en betrouwbaar zijn opmerkingen zou meedeelen, hem beter op de hoogte brengen. Hij droeg daarom den ordonnansofficier Blakeney, die op Longwood was gedetacheerd, op, hem zijn indrukken omtrent den toestand van Napoleon te doen kennen en deze schreef hem den 17den Mei „dat hij generaal Bonaparte op den avond van den 15den Mei in den tuin had gezien en dat deze even goed als gewoonlijk liep. Overigens had de tuinman, die hem veel meer en van dichtbij ziet, hem verzekerd, dat hij gedurende al den tijd, negen maanden, waarin hij op Longwood werkte, geen verandering in het uiterlijk van den generaal had opgemerkt.”
Behalve nog om andere redenen, werd O’Meara den 25sten Juli 1818, wegens het uitbrengen van valsche rapporten omtrent den gezondheids-toestand van generaal Bonaparte — waarvoor een verklaring als die van Blakeney en de verhalen en verzekeringen van Gourgoud, dat Napoleon alleen aan een „politieke ziekte” zou lijden, de bewijzen waren — door Hudson Lowe