NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 287
Napoleon — en voornamelijk door den laatste, Napoleon toch was zeer nieuwsgierig en vond er een groot genoegen in om van alles wat rondom hem geschiedde op de hoogte te zijn — gelezen; de Montholon dringt daarin voortdurend bij zijn vrouw er op aan, een plaats-vervanger voor hem te vinden, opdat hij haar naar Europa zal kunnen volgen, iemand, die voor onbepaalden tijd op St. Helena zal willen komen, omdat hij niet van plan is — indien hij ooit weg gaat — naar St. Helena terug te keeren.
Is de Montholon inderdaad zóó bezorgd voor de gezondheid van zijn vrouw die hij — oordeelend naar den inoud van zijn brieven — schijnt te aanbidden, zoodat het hem wat moeilijk valt alléén en zonder haar gezelschap te blijven en hij verlangend naar een gelegenheid uitziet, om weer met haar vereenigd te zijn? Stelt hij zooveel belang in den uitslag der consulten, die zij moet nemen, in den uitslag van den leef-regel, dien men haar heeft voorgeschreven of voorschrijft? Verwondert hij zich er over — wanneer zij hem meedeelt, dat haar het verblijf in Engeland wordt verboden en dat zij in Ostende aan land gaat — dat zij noch naar Spa, noch naar Aken vertrekt, om er een badkuur te doen, die zij in het begin opgaf zóó dringend noodig te hebben ? Op geen dezer vragen kan men een volmondig, toestemmend antwoord geven. Blijken zij, van zijn kant, ernstig gemeend, de stappen die hij haar aanraadt te doen ? En blijkt het uit een harer brieven dat zij zich inderdaad — behalve bij Planat, en dan nog te laat, die nooit, na het vertrek van den Keizer heeft opgehouden zich aan te bieden, niettegenstaande zijn aanbod telkens werd afgeslagen en misschien tot Casimir Bonjour, een tooneelschrijver, wiens stukken werden uitgefloten en die liever in Frankrijk bleef, wijl hij de kansen, dat een zijner stukken in het Théatre Franpais zou opgevoerd worden, niet wilde missen — ernstig tot iemand heeft gewend? Neen, immers!
Blijkt uit dit alles het vermoeden niet al te duidelijk, dat het geheel een manoeuvre van de Montholon is, om zooveel mogelijk voordeel uit zijn verblijf op St. Helena te putten, wanneer men daarbij verneemt, welke groote geldsommen Napoleon hem telkens ten geschenke gaf en dat de Montolon zich herhaaldelijk — onder anderen tegenover de Montchenu, en hij schrijft het ook aan zijn vrouw — uitliet, dat de Keizer waarschijnlijk wel twee millioen aan ieder van zijn (de Montholon’s) twee kinderen, op St. Helena geboren, zou nalaten; wanneer men verneemt, dat het bedrag der schulden, zoowel door M^e. de Montholon als