NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 285
alleen alle waarde verliest, maar waaruit zijn dubbele persoonlijkheid duidelijk zou blijken. Indien men echter het gedrag van O’Meara onpartijdig en zonder voorop-gezette meening onderzoekt, blijkt daarvan niets en kan men O’Meara hoogstens van onvoorzichtigheid beschuldigen. Wat zijn dagboek betreft, volgens competente onderzoekers, is het een van de beste bronnen, waardoor men van het leven van Napoleon, gedurende de eerste jaren van zijn gevangenschap op St. Helena op de hoogte komt en het is te bejammeren, dat O’Meara niet in de gelegenheid is geweest het verder bij te houden.
Men moet niet vergeten, dat O’Meara een zeer moeilijke plaats bekleedde: terwijl hij geneesheer van den Keizer was en dus, door zijn mondeling-gedane belofte van trouw was gebonden, bleef hij tevens officier in Engelschen dienst, waardoor hij verplichtingen had, die hij niet na kon komen dan door öf de eene óf de andere belofte te schenden of met een van beiden in botsing te komen. In de eerste tijden van zijn verblijf op het eiland, gevoelde hij zich nog geheel als Engelsch officier en liet hij zich door zijn gevoel van Engelschman leiden. Daardoor en door hét succes van zijn brieven — waar hij zich door zijn lust tot spotten en tot het maken van ironische en sarcastische opmerkingen liet meeslepen — bij de hooger-geplaatsten, die hij wist, dat zijn brieven lazen, nam hij een partijdige houding tegenover Longwood aan, die — wijl en naar mate hij Napoleon beter leerde kennen en meer en meer sympathie en medelijden voor hem begon te gevoelen om de plagerijen, die de gouverneur op touw zette — in een vriendschappelijke tegenover hem en in een vijandige tegenover Hudson Lowe veranderde. Men moge hem zijn minder kiesche opmerkingen, zijn ironische gezegden, betreffende het gevolg van den Keizer kwalijk nemen en vinden, dat zij niet te pas kwamen, zóó erg waren zij nu ook weer niet, dat men er dermate verontwaardigd over behoeft te zijn. Hij wist door wien zijn correspondentie zou worden gelezen; deze personen hebben hem niet alleen nooit verboden op een derge-lijken toon voort te gaan, maar hebben dien tot op zekeren hoogte, uitgelokt, door er nooit eenige aanmerking op te maken.
Hoevele en welke aanmerkingen men ook op het gedrag en de houding van O’Meara moge hebben, van welke fouten men hem ook moge beschuldigen, het is een niet te weerleggen feit, — en dat vergoedt zeer veel en doet vele van zijn verkeerdheden te niet — dat hij Napoleon met alle toewijding en zorgen*