280
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
aanviel om diens optreden tegenover hem en tegenover den Keizer.
Hij was een goed officier, die een uitstekenden naam had, wat zijn bekwaamheden als geneesheer betreft, iemand die zijn plicht deed, wel-opgevoed en ontwikkeld, in één woord een gentleman. Hij had even den leeftijd van dertig jaar bereikt, toen hij mee naar St. Helena ging en deed dit alleen om wat meer van de wereld te zien en om misschien wat sneller promotie te maken. Ten einde zooveel mogelijk onafhankelijk te blijven, weigerde hij het honorarium van 2.000 francs, dat Napoleon hem aanbood; zelfs weigerde hij later een geschenk van 6.000 frans, dat Napoleon hem wilde geven ter vergoeding van het verlies, dat hij leed door de vermindering van zijn honorarium als Engelsch officier, toen hij uit de marine was verwijderd. Echter was en bleef hij — niettegenstaande zijn weigering om zich door Napoleon voor zijn diensten te laten honoreeren — in een valsche positie.
Napoleon verlangde van zijn geneesheer, dat hij een persoonlijkheid zou zijn, die zich geheel aan hem zou wijden, die zich geheel aan hem zou gebonden voelen en die hem, onder meer, diensten zou bewijzen, die zijn volgelingen — wijl zij Franschen waren en de reglementen, waaraan zij zich hadden onderworpen, hen daarin verhinderden — niet voor hem konden doen. O’Meara had, als Engelsch officier, meende hij, daarin volle vrijheid en kon dus nu en dan een boodschap in James Town doen, nieuwtjes navragen en overbrengen, couranten meebrengen naar Long-wood en dergelijke meer. Daar tegenover stond, wat de Engelsche regeering en den gouverneur betreft, — al mochten en konden zij een Engelschman niet toestaan wat zij de Franschen verboden — het voordeel, dat men, door de aanwezigheid van een Engelsch officier op Longwood, altijd iemand daar had, die Napoleon zou bewaken, zonder dat dit te veel in het oog viel of den Keizer zou kwetsen en vooral dat men van hem zou kunnen vernemen, wat er op Longwood gesproken en gedaan werd.
Dit echter gaf al heel spoedig aanleiding tot conflicten met den gouverneur Hudson Lowe, die — niet zóó ruim van opvatting als admiraal Cockburne — veel meer-eischend was dan deze. O’Meara nu, had een genoegen, dat eveneens een oorzaak van latere onaangenaamheden zou worden, namelijk de correspondentie met een zijner vrienden, een M. Finlaison, in Engeland, die ambtenaar aan het ministerie van Marine was. Toen deze hem, op bevel van zijn chefs, berichtte, dat hij de correspondentie niet kon voortzetten, tenzij dat de ministers inzage