NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 277
enz. Hij deed dat niet alleen, maar gebruikte daarin, als tusschen-persoon, een M. Holmes, een vriend van O’Meara, den zaakwaarnemer van Engelsche marine-officieren die in actieven dienst waren en wier honorarium deze gedurende dien tijd ontving en beheerde tot zij weer in Engeland terug waren. Hem dan ook gaf Balcombe het geld, dat hij van Napoleon ontving, na er het kleinste gedeelte voor zich van te hebben behouden.
Toen Balcombe vertrok, beloofde hij binnen het half jaar te zullen terugkeeren en het was dan ook in die overtuiging, dat het huisgezin van den Keizer afscheid nam. Doch terwijl Balcombe weg was, kwamen er brieven van M. Holmes voor O’Meara bestemd die deze niet in ontvangst kon nemen, wijl hij in dien tusschentijd naar Engeland was gezonden, waaruit — omdat Hudson Lowe zich door de omstandigheden geoorloofd achtte (immers O’Meara was een gevangene) ze te openen — bleek, dat Balcombe met O’Meara had afgesproken elkaar behulpzaam te zijn, om boeken en geschriften van St. Helena naar Londen over te brengen, daar te laten drukken en het licht te doen zien. Niet zoozeer tot straf daarvoor, — Balcombe had te veel projetie van hoog-geplaatste personen — dan wel om hem te beletten in herhaling te vervallen, benoemde de regeering hem in een voordeelige betrekking te N. Z. Wales, die hem allen lust benam om naar St. Helena terug te keeren.
Niettegenstaande het beweren, dat het huisgezin binnen het half jaar zou terugkeeren en dat het afscheid, dat zij van den Keizer namen slechts voor een betrekkelijk korten tijd zou zijn, hadden zoowel de Keizer als Betsy Balcombe het voorgevoel, dat zij elkaar nooit weer zouden ontmoeten en dat hun afscheid voor eeuwig was. „Een dag of twee, schrijft zij, vóór wij zouden vertrekken, gingen mijn vader, mijn zuster en ik afscheid van den Keizer nemen.
Hij was in de biljart-kamer bezig boeken uit te pakken. Het bericht, dat wij zouden weggaan, maakte hem bedroefd, ook maakte hij zich bezorgd over den slechten gezondheids-toestand van mijn moeder en verzocht ons, met allerlei lieve woorden haar zijn wenschen voor haar beterschap over te brengen. Daarop nam hij ons mee naar den tuin en terwijl hij ons de eindelooze wijdte van de zee wees, glimlachte hij treurig en zeide: „Dus jullie gaan weg en laten mij alleen Ik word door de zee gevangen gehouden. En daarbij, door welke afschuwelijke rotsen word ik niet vast gehouden. Het zal niet lang duren vóórdat jullie zult