266
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
hij tijdens den slag van Waterloo gedwongen is telkens van zijn paard te komen, zijn nerveuze blaas-aandoening, die bij alle emotie verergert, mag men hier buiten rekening laten, wijl hij die al van zijn jeugd af heeft — dan wel in zijn geestvermogens. Hij, die vroeger alles verzweeg en voor zich zelf hield, die alleen het hoog-noodzakelijke sprak, scheen een behoefte te hebben gekregen om te praten, om zich te verdooven met spreken en rust voor zijn vermoeide hersens te zoeken in de afleiding van zijn woorden. En hij liet kostbare uren voorbijgaan met praten, rust en afleiding zoeken voor het vreemde, hem vroeger onbekende vermoeidheidsgevoel in de achtereenvloeiing van zijn zeggen, die hij beter zou hebben besteed met handelen. Opmerkelijk voor zijn verandering en het grootste bewijs voor zijn energieloosheid en apathie, is zijn houding tegenover Fouché gedurende de Cent Jours. Hij wist, dat hij — van het oogenblik, dat hij te Parijs was aangekomen, totdat hij zijn voet op de Bellerophon zette — door dezen bedrogen werd, dat hij door hem werd verraden, dat deze hem waarschijnlijk den Engelschen in handen speelde, en niettegenstaande dit alles laat hij hem — later bekende hij, dat het hem speet hem niet te hebben laten oppakken en fusilleeren — op zijn post, maar waarschuwt hem, dat hij alles van zijn intrigues afweet.
Tijdens den slag van Waterloo eenzelfde apathie, een soortgelijke onverschilligheid. Zijn combinatie-vermogen, zijn snelheid van conceptie en van handelen vóór den slag zijn nog dezelfde als voorheen. Maar niet zoodra is de slag begonnen, of hij laat weer — gedreven door zijn vermoeidheidsgevoel — de kostbare uren verloren gaan met praten, houdt tot verbazing van Grouchy en Gérard lange redeneeringen tot hen over den politieken toestand, óver de Kamer, over de politiek van Frankrijk, schijnt er zich bijna niet om te bekommeren of hij al of niet berichten omtrent de bewegingen der gëallieerden ontvangt. Zelfs in de laatste oogenblikken, wanneer alles tot brekens toe spant, blijft hij even apatisch en zegt bedaard weg: „II parait qu’ils sont mêlés” en verwijdert zich stapvoets.
Na den slag te Parijs teruggekomen, dezelfde energieloosheid, dezelfde besluiteloosheid, dezelfde onverschilligheid. Niettegenstaande zijn partijgenoten in den minister-raad hem smeeken zijn vroegere kracht te toonen, blijft hij dof, in elkaar gezakt, willoos. Op Malmaison hetzelfde: hij voert niets uit, geeft geen bevelen, maar brengt zijn tijd door met het lezen van roman-