265
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
mon élément. Je connais les limites de mes jambes, je connais celles de mes yeux, je n’ai jamais connu celles de mon travail”; hij van wien Chaptal vertelde: „Son esprit et son corps étaient incapables de fatigue”, voelde, dat ook hij vermoeid kon worden. Paardrijden begon hem moeilijk te vallen, hem, die op St. Helena aan Betsy Balcombe bekende, dat hij vroeger nooit moe was en dat hij eertijds zoo lang te paard kon zitten als hij wilde. In hoeverre het waar is, dat paardrijden zóó bezwaarlijk voor hem werd, valt moeilijk te zeggen, wijl sommige ooggetuigen beweren, dat bij den slag van Waterloo — waarvan men het verlies wel eens aan zijn moeheid en ten gevolge daarvan aan zijn gemis aan energie wil toeschrijven — gedurende twintig uur achtereen te paard is gebleven. Hoe of hoe niet, een feit is het, dat — waar hij vóór en bij het begin van den slag zijn oude snelheid van handelen nog in praktijk bracht, waaraan hij steeds zijn overwicht op zijn vijanden te danken had, waarin zijn groote kracht lag en dat hem zijn overwinningen verzekerde, — zich spoedig een zekere apathie bij hem begon te vertoonen, een gebrek aan vitaliteit, waardoor hij een groot gedeelte der kostbare uren ongebruikt liet verloren gaan.
Nogmaals, hij was versleten, lichamelijk en geestelijk! Pasquier zegt van hem, in de periode van de Cent Jours, dat hij een andere was geworden, dat hij veroordeeld was: „Je ne puis m’empêcher de croire que son génie comme sa force physique, était dans une décadence profonde.”
Een bewijs voor zijn achteruitgang is zijn groote slaperigheid, zijn groote, alles-beheerschende behoefte aan slaap. Een „vreemde” slaper was hij altijd geweest: hij kon al of niet slapen, naar hij wilde, waar hij wilde, even, een paar uur, midden op het slagveld, een heelen nacht, (ofschoon hij dat bijna nimmer heeft gedaan). Nu echter begonnen zijn slaperigheid en zijn slaapbehoefte • over hèm te heerschen. Na het eten dutte hij in. Sismondi vertelt, dat zijn ministers hem tot hun groote verwondering — telkens vonden, terwijl hij boven een boek in slaap was gevallen. Te Rochefort hetzelfde. Aan boord van de Bellerophon zag men hem ingedut boven een bladzijde van Ossian. Na zijn terugkomst van Elba, achtte zijn omgeving, dat zijn gezondheid was aangedaan. Zijn broer Jéróme vond, dat hij ziek was; zijn broer Lucien zegt, zonder omwegen, dat hij hem ernstig en zelfs gevaarlijk ziek vindt. Minder nog openbaart zich zijn achteruitgang in zijn lichamelijk lijden — zijn hoemorrhoïden, waardoor