Napoleons laatste levensjaren

Titel
Napoleons laatste levensjaren

Jaar
1916

Pagina's
374



NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 255

Afgezonderd op een rots, waar hij hoogstens als een wild dier, opgesloten in een hok, heen en weer kon gaan om zich de illusie van vrijheid en wijdheid te geven; waar hij niet eens ruimte genoeg had om zooveel te paard te galoppeeren als hij behoefde, om zóó ver te rijden als hij wenschte, teruggehouden door de nauwe grenzen, die men hem gesteld had, om te loopen, ten einde te kunnen voldoen aan zijn wil om te weten wat er rondom hem was en te onderzoeken, wat er onbekends in zijn omgeving leefde, wijl hij alle struiken, alle boomen, ieder steentje en ieder plantje op Longwood al zoo dikwijls had gezien en door en door kende; waar hij dag in, dag uit was aangewezen op het houden van dezelfde gesprekken met dezelfde personen of het weer beginnen van dezelfde partijen met altijd dezelfde mee- of tegenspelers of het nogmaals doorlezen van boeken, uit een povere bibliotheek, die hij al zoovele keeren in handen had gehad, voelde zich langzamerhand inwikkelen door een immense verveling, door de mattende niets-waardigheid der uren, de hopelooze doelloosheid van zijn bestaan.

En langzaam, zonder kracht om zich er tegen op te strengen, slapte hij ineen en meer en meer vervulde hem een walg om te leven. Een traagheid, die de vraag deed klagen „A quoi bon ?” voor alles wat hij deed of wilde doen, begon te doffen op zijn geest en neer te zwaren op zijn lichaam. En dikwijls loomden uren heen, waarin hij, zonder denken, droomde naar het kringend vliegen van de meeuwen, in wijde cirkels drommend rond het huis of om de kaalheid van de somber-zwarte toppen. En hij kon uren zitten soezen of staren naar de lucht, waar wolken, voortgedreven door den hoogen wind, in stage stapeling grauwden aan den horizont en luidloos gleden boven Longwood, heen-vagend haar de wijdheid van de zee, waar zij verdwenen in de matte grijsheid van den nevel, terwijl de regen droef-ruischend suisde naar omlaag, in dikke stralen huilend langs de ruiten. Dan hoorden zij, die met hem waren en mede zwegen in zijn zwijgen, zijn stem, die niet meer was als zij die van hem kenden, in fluister-zachtend snikken als van heel ver, klagen: „quelle croix, oh! quel ennui!”

En nooit zou er verbetering in de toekomst komen; hij voelde en hij wist, dat zijn bestaan geleefd was en dat alleen een wachtend slepen door den tijd hem loomde naar zijn dood.

Maar wanneer zou dat luchtend einde daar zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.