252 NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
geestige plagerijen, een feit is het, dat zijn ontvangdagen en avonden, of liever die van zijn vrouw, door iedereen, die ze bezocht, geroemd werden. Ofschoon lady Lowe reeds acht en dertig was, zag zij er veel jonger uit en werd zij, zoowel door Henry, als door anderen, nog een knappe vrouw genoemd, minder nog wat haar lichaamsvormen, als wat haar gelaatstrekken betreft. Maar vooral was zij — behalve misschien een weinig te coquette — een lieve vrouw, die de takt en het talent van conversatie had en de slag om de menschen evenveel voor zich in te nemen als haar man de eigenschap bezat om zich bij iedereen gehaat te maken, iedereen te vervelen. Het was dan ook de gewoonte op St. Helena geworden, dat iedereen, wien men zijn oordeel over Hudson Lowe vroeg, antwoordde: Ik houd meer van lady Lowe.” En daarbij is zij jong genoeg van voelen, om allerlei vermaken en afleiding te bedenken. Nu eens is het, dat zij — in een elegante equipage met vier zwarte poneys bespannen, die zij uit Engeland had laten komen en zelve ment, de bewondering en verbazing gaande makend van de bewoners, gewoon aan de aartsvaderlijke ossenwagen, die de vroegere gouverneur voor het vervoer van zijn familie gebruikte — gevolgd door een cavalcade van heeren en dames, eén intocht in James Town houdt, nadat zij de weinige berijdbare wegen van het eiland in volle draf heeft afgerend; dan weer is het een picnic; een ander maal door een plotselingen inval, dien zij — doordat iedereen of uit vrees voor haar man, of inderdaad door haar charmes bekoord gehoorzaamt aan wat zij wil — krijgt en ten uitvoer doet brengen, dat zij eenige beweging in het stille, traag gaande, eenvoudige leven op het eiland maakte en waarom men haar den bijnaam van „Koningin van St. Helena” geeft. Dat zij nu en dan wel eens deze macht misbruikt kan niet worden ontkend, vooral ook, doordat haar echtgenoot voor haar wenschen en willen een even groote eerbied verlangt als voor die van hem zelf en elke tegenstribbeling of elk verzet tegen haar bevelen beschouwt, alsof zij tegen hem persoonlijk zijn gericht.
Henry verhaalt, dat Lady Lowe op een Zondag, toen zij een weinig migraine had of een beetje zenuwachtig was, door het klokken-gelui der kerken gehinderd werd en door haar man het bevel liet uitvaardigen, dat men met luiden moest ophouden. Nadat, korten tijd daarna, haar malaise weer over was, liet zij — vergetend, dat haar man er het bevel toe had gegeven en