NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 251
werd, en de jongen, die pas geboren waren, werden door de ratten afgemaakt en opgevreten.
Zoodra het 66ste regiment op St. Helena was aangekomen, hadden de officieren beproefd zoodanige maatregelen te treffen, dat men iedere maand een bal zou kunnen geven, waarop natuurlijk de jonge dames van het eiland zouden worden genoodigd. Meer dan drie of vier bals zijn er niet geweest, door gebrek aan dames, die — wijl haar tegenwoordigheid en haar meedoen toch geen gevolgen hadden — wegbleven. Ook de wedrennen, die de officieren op touw zetten en die tweemaal in het jaar moesten plaats vinden, waren een pover vermaak, waar zij geloopen werden door de kleine, leelijke paardjes van de Kaap afkomstig en op een benauwd, smal terrein in de buurt van Deadwood. Het merkwaardigste er van was dan ook het incident, dat op de eerste course geschiedde, toen plotseling, op een oogenblik dat er niet geloopen werd, een ruiter in volle vaart het terrein over galoppeerde en er, door een der commissarissen, met zweepslagen af werd gedreven. Bij nadere beschouwing was het Archambaud, de piqueur van den Keizer, die te veel had gedronken en nu die grap uithaalde. Men vreesde, dat Napoleon — die uit de verte met zijn kijker het tafereel had gevolgd — het als een persoonlijke beleediging zou opvatten. Het tegendeel echter was het geval. Hij liet Archambaud bij zich komen en gaf hem een geweldig standje over zijn onbehoorlijk gedrag, waarbij hij de Engelsche officieren volkomen in het gelijk stelde.
Ook de tooneelvoorstellingen, door liefhebbers op een klein theater in James Town gegeven, waren een pover genoegen en zij verliepen als de andere vermakelijkheden.
De eenige afleiding voor de hoogeren, waaraan zij iets hadden, waren de recepties die, bijna geregeld, twee- of driemaal s’weeks door lady Lowe op Plantation House werden gehouden en waarop een honderdtal genoodigden, — bevoordeelden, militairen, burger-autoriteiten en notabele bewoners of reizigers, die toevallig op St. Helena vertoefden — werden gevraagd. Welke verwijten men ook den gouverneur kon maken, dat hij gierig was, kon men hem niet voor de voeten gooien. Hetzij, dat zijn gastvrijheid hem door zijn echtgenoote werd opgedwongen, hetzij deze een gevolg was van zijn vrees, dat men hem onpopulair zou vinden en dat hij daardoor de kans zou loopen, zijn goed-betaalde betrekking te zullen verliezen, hetzij dat hij een tegenwicht wilde stellen voor zijn voortdurende en klein-