152
NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
In tegenstelling met alle andere ballingen van St. Helena, kon Noverraz er zich zeer goed schikken, vooral nadat dc Keizer hem geoorloofd had met Joséphine Brulé, de kamenier van Mad. de Montholon, die na het vertrek van de gravin op St. Helena was gebleven, te trouwen. Zij hadden ieder voor zich een klein kapitaaltje overgespaard, die bij elkaar een aardig sommetje vormden, wat geleidelijk werd vermeerderd, doordat Napoleon Joséphine als verzorgster van zijn linnengoed aanstelde en zij — zij was zeer handig — als modiste voor Mad. Bertrand en anderen werkte.
In 1821, toen de gezondheid van den Keizer minder en minder werd, begon ook, toevallig, Noverraz te sukkelen. Toch hield hij zoo lang mogelijk zijn dienst vol, hielp den Keizer verbed-den en droeg hem, wanneer hij wilde opstaan, naar zijn stoel, meer nog dan dat hij hem daarbij ondersteunde. Een paar dagen vóór den dood van den Keizer echter, is hij zóó ziek, dat hij — het was, alsof hij diens sterven vooruit voelde — toen hij zich, zwak en ellendig als hij was, naar diens kamer had gesleept, neerviel. Toch had hij nog wils-kracht genoeg om hem, na zijn dood, te helpen aankleeden en neerleggen op zijn parade-bed. Ook dwong hij zich om achter de dooden-wagen mee te gaan naar Geranium Valley. Even als de anderen, had ook hij de opdracht van den Keizer ontvangen een gedeelte uit diens nalatenschap aan den Roi de Rome te overhandigen, namelijk drie zadels, tuigen, en teugels, zijn sporen en zijn jachtgeweren, die hij op St. Helena had gebruikt: „pour remettre a mon fils, quand il aura seize ans!” Even als aan de anderen, werd ook hem geweigerd aan die opdracht gevolg te geven.
Hij kwam met zijn vrouw naar Europa terug en vestigde zich bij Lausanne, in een kleine villa, die hij „la Violette” had gedoopt, waar hij rustig van het geld kon leven, dat zij te samen hadden overgelegd, gevoegd bij het legaat, dat Napoleon hem had nagelaten en waarvan hij ook door allerlei complicaties met het testament — slechts een gedeelte uitbetaald kreeg. De voorwerpen die de Keizer hem voor den Roi de Rome had gegeven, heeft hij, met een paar haarlokken en een paar ongelijke pistolen van zijn Meester, steeds bewaard. Dat hij, op zijn verzoek, verlof kreeg om met de expeditie van la Belle-Poule meo te gaan, is begrijpelijk. Hij overleed den 12den Januari 1849.
Hij is te vroeg gestorven, dan dat hem — even als aan de anderen — het geluk kon te beurt vallen met het kruis van het