148 NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN garde nationale gemaakt. Met Bertrand, Gourgaud en Emmanuel de Las Cases vormde hij de eerewacht, bij het overbrengen van de lijkkist van Geranium Valley naar de Belle-Poule en bij de tocht op la Dorade, van Cherbourg, langs de Seine naar Parijs. Eenige weken later verleende Louis Philippe hem het kruis van het Légion d’honneur; Napoleon de derde verhief hem in den adelstand, maakte hem „comte” en zorgde er voor, dat het testament van den Keizer, voor zoover het ’t finantieele gedeelte betrof, eindelijk werd uitgevoerd, waardoor Marchand verkreeg wat hem toekwam, al was het — ten gevolge van allerlei moeilijkheden en complicaties — niet zooveel als zijn Meester hem had nagelaten.
Toen in 1861 het lichaam van den grooten Keizer naar de nieuwe kelder in de Döme des Invalides werd bijgezet, was Marchand de eenige overgeblevene van hen, die door Napoleon tot zijn exécuteurs testamentaires waren benoemd. Bij deze gelegenheid werd hij tot officier de la Légion d’Honneur bevorderd. Plij stierf den 21sten Juni 1876. Weinig menschen hebben, als hij, het in elkaar storten van twee keizerrijken bijgewoond! Na Waterloo heeft hij Sédan meegeleefd!
Van eenzelfde soort en van eenzelfden slag als Marchand, was Saint-Denis, bijgenaamd Aly, die in rang op Marchand volgde en die, na hem, het meest met den Keizer in aanraking kwam en met hem verkeerde. Hij was jager en fungeerde als Mameluk. In 1788 te Versailles geboren — zijn vader was er als piqueur aan de koninklijke stallen verbonden — had hij een zeer goede opvoeding en uitstekend en uitgebreid onderwijs genoten, was eerst eenige jaren klerk op een notaris-kantoor geweest, wat hem al heel gauw verveelde, en werd in 1806 als leerling-piqueur aan het Huis van den Keizer verbonden. Ook hij nam in ’ll deel aan de reis naar Holland, nadat hij de veldtochten in Spanje en in Duitschland had meegemaakt.
Op het einde van dat jaar werd Saint-Denis tot Mameluk uitgekozen in plaats van den echten Aly — die indertijd, evenals Roustam, uit Egypte was meegekomen, maar dien men, om zijn soms gevaarlijke driftbuien, niet langer als lakei had kunnen houden, waarom men hem een dienst te Fontainebleau had gegeven — wiens oostersche kleedij en wiens naam hij tevens overnam. In het vervolg dus, deed hij denzelfden dienst als Roustam en vervulde dezelfde functies van kamerdienaar, jager en „aide-porte-arquebuse”; in den veldtocht bewaarde hij de