STILLE UREN. 87
in zijn voorhoofd, zijn pijn-drangend oog klauwend uit de oogkas, een weëe, moeielijk-in-te houden braking walgend in zijn keel, aanvallen die hem neersmakten op zijn bed, waar hij lag te huilen van wanhopige beroerdheid en die hem zijn klam-zenuwende handen lieten drukken tegen zijn hoofd, dat hij vreesde te voelen uiteenkraken van de pijn, die breeder en breeder perstte in zijn schedel.
Op een avond, trillend van zenuwende ongedurigheid, nam hij een morphine-inspuiting. Langzaam kalmde een wijde rustigheid in hem neer, beweegloos strekkend zijn lichaam dat zwaar lag, zonder gewicht, een lichaam dat niet van hem was en waarvan hij zachtjes alleen een heen-kleinend pijnplekje voelde, vóór boven zijn oog. En een groot-troostende vrede dekte over zijn ellende, onverschillig spreidend een zacht geluk in zijn denken. Hij doezelde ongemerkt heen, een vage, nevelende vloeiing van gedachten, waaruit hij telkens droomerig waakte, door de geluiden rondom. Dan loomde hij zijn oogen op en schemerde zijn zien naar de kamer, waarin een vage lichting van dunnen tint hing, telkens wisselend