86 STILLE UREN.
slaap van zijn hoofd, boorde de weeheid uit zijn oog door zijn voorhoofd, een hard-vast pijnbrok drukkend langs de helft van zijn schedel, die hem dwong beweegloos te blijven, vreezend de heen-en-weering van zijn hoofd, dat moeilijk, zwaar spilde op zijn lichaam. En ’s nachts, in den halven slaaproes van zijn neerliggen, zijn hoofd vast neergedrukt in de steuning van zijn kussens, was ’t 'hem of hij gestadig het inboren van een kort-hoekige pijn voelde, grijp-draaiend zijn oog uit de oogkas, een pijn die hem in zijn nevelend wakker-zijn de behoefte liet verlangen naar een hand die op zijn slapen zou zwaren, langzaam en zacht. Toen hij den volgenden ochtend ontwaakte uit de looden ligging van zijn rusten, was ’t hem of hij tijden lang was ziek geweest, met een matzwikkende ineen-buiging van zijn lichaam en leek hem de herinnering van den vorigen avond te schemeren in een onduidelijke beelding van lang voorbijzijn.
Na dien avond kwamen de migraine-aanvallen meer, nu eens tijden uitblijvend, dan weer snel achtereen, plotseling neerhakkend in zijn hoofd. En telkens was ’t of ze heftiger, harder brokten