82 STILLE UREN.
nacht, waarin hij beweegloos zou wachten de snelle, kort-inbrekende geweldiging van het vergif, een plotselinge langs-rijing voor zijn dof-nevelend zien van alles wat bewogen had in zijn leven, een snel-jachtende beelding van lang-vergeten dagen, schimmig, tijdeloos voorvlekkend gezichten van menschen die met hem waren geweest, met op het einde haar laatste herinnering zooals hij haar zoo dikwijls voor zich zag leven in de vreemd-werkelijkende leugen van zijn droomen. Hij probeerde voor zich te zetten hoe alles bewegen zou na zijn dood-zijn, precies navoelend in zijn denken alles wat hij gezien had bij anderen, het langzaam wakkeren der menschen ’s morgens rond zijn onbewust neerliggen in de schemer-lichtende beweegloosheid van zijn kamer, het druk-stom-melend gaan van vreemden in zijn huis, zijn laatste meezijn in de volle straten, recht-achterover liggend in de nauwe duisterheid van zijn kist, langzaam meeschuddend in de weeke deining van den lijkwagen en eindelijk het zacht-doffe neerzwaren in de grauwe diepte op het kerkhof, onder den zwijgend-matten omstand van menschen. Dan zou hij heen zijn in een eindeloos-duistere