STILLE UREN. 61
leunen de groote, wijde moeheid die doffer grijsde in zijn hol-spillend hoofd, iemand tegen wie hij zou mogen steunen de lamgeslagen ineenzakking van zijn lichaam. En in die buien van wijd-leege uitputting, begon langzamerhand een zachte behoefte te verlangen naar een altijd blijven in de matte neerligging van zijn lichaam, een begeerte nooit weer op te strakken in een moeilijk meemoeten van zijn denken, een rustende visioening heen te zijn uit den pijngang van zijn leven. Ongemerkt begon hij vooruit te zien naar zijn dood-zijn, een nooit-eindigend neerliggen in eeuwig geheimende stilte, een denkeloos heen-zijn in dicht-zwijgende duisterheid, zonder moeiend geluiden, zonder mat-wolkend nevelen van gedachten. En vaag-lijnend in langzaam-opsluipend bewegen, angstte het willen in hem omhoog zijn sterven te haasten in een plotseling ingehouden voortgang van zijn bestaan.
Er kwamen dagen waarin hij liep onder de stage obsessie van zijn denken dat hij zich zou dood maken, zijn daad ziende in een scherpe lijning van zijn doen, vooruit-voelend hoe het zou gebeuren in de eenzame zwijging van den
6