STILLE UREN. 79
uren die hij doorroesde met een strak-gehouden kracht-willen van zijn lichaam, steeds doorwerkend achtereen, niet lettend de moeheid die in zijn denken sleet, tot plotseling de holheid in zijn hoofd onweerstaanbaar weerkwam, de moewe duizeling die opnieuw hem neerdwong in zijn stoel, zijn handen vast gedrukt tegen zijn voorhoofd, gedachteloos luisterend de vage luiding van woorden, die zinloos in zijn hoofd rondzeurden.
Er waren dagen, waarin hij opstond met een zacht-week huilen in zijn borst, dat met hem bleef al de lange uren die hij voortleefde tusschen den rondgang van vreemden. Dan, wanneer hij ’s middags t’huis kwam, moe, uitgezenuwd van het steeds pijnend weeklagen in zijn binnenste, logde hij neer op zijn bed, machteloos zijn lichaam op te steunen uit de wanhopige ellende van zijn mee-moeten-zijn in het leven, terwijl luidloos de tranen sneller en sneller langs zijn wangen vochtten. Soms hardde hij den dag door in een kleurloos gewoon-zijn van zijn doen, pijn-wreedend zijn denken met striemend zeggen van woorden, optreiterend voor zijn verdriet dat hij diep voelde vast-knagen in zijn binnenste, een onverschillige