136 STILLE UREN.
gend op den weeken grond, leunde hij zijn hoofd tegen de kille doodheid van haar graf, zacht kussend de letters van haar naam, zijn handen streelend langs de groenbegroeide aarde.
De heen-en-weering der wagens in het veld had opgehouden. Het weiland leegde ver uit naar de stad, doorgewit van den hoogen zand-streep, waarachter de groene grond weer strekte, vaag ineenkleurend tegen de laatst-hoogende huizen. De zon begon neer te gouden naar den avond, een warm-roode lichting spreidend over de stad, waarvan de daken dieper toonden boven het schaduwend donkeren der straten. En hoog boven de huizenvastheid zweefde de grijze koepel, los-lichtend onder het luchtblauw, doorgegloeid van een roze schijn, de goudrooden vlamming van het beeld hoog-dragend in de ruimte. Langzaam begon de dag heen te zijn, op het week-fluisterend koelen van den wind.
Ver over de rivier schorde het fluiten van de boot, waarmee hij naar de stad terug moest. Hij stond op, even nog zijn handen streelend langs haar naam en ging weg.
Maar aan het einde van de laan gekomen, bleef