STILLE UREN. 133
haar, die van hem was weggegaan in de volle bloeiheid van haar jeugd. Het was dan of een pijn-droevend schuldgevoel door hem klaagde, een schrijnend verwijten om zijn zelfzucht, dat hij over haar doodzijn voortging naar een nieuw bestaan, terwijl hij de groote ellende van haar sterven niet meer zag tegen de lichting van geluk, die voor hem in de toekomst opkleurde. En het twijfelde in hem omhoog of hij ooit gelukkig weer kon worden onder de altijd-weerkeerende herinnering, onder de altijd angstende dreiging, dat hij hij alles wat hij sprak, bij alles wat hij deed, zou denken dat hij ook zoo tot zijn vrouw had gesproken, dat hij ook zoo naast haar had gedaan.
Hij had gekrachtigd tegen zijn hooger-mach-tigend voelen, hij had zijn denken weggedwongen van de staag-weerkeerende visioening van een nieuw bestaan, alleen om te peinzen naar haar mee-geweest-zijn in zijn dagen. Maar hij was machteloos gelamd tegen de forscher-huilende behoefte om haar bij zich te houden, die hij voelde dat zijn leven kon voortsteunen tot het einde. Het leege dat zoolang voor hem had geduisterd was weg, het doellooze van zijn dagen