STILLE UREN. 131
vaag-wissend misten, waarin de zon een bleek-mat licht veegde, even kort-schroeiend de glimming van een donker pannendak, kleine zilveringen brandend tegen een uitstarrend venster. En de wagens slangden heen over de hoog-streepende heuveling van het zand, een uitgeleefde stilte latend over de strak-donkere strekking der glanzende rails.
Na zijn groote reis was zijn leven veranderd. Het leek hem of er geen tijd was heengeleegd tusschen zijn terugkomen en den laatsten winter-die achter hem kleurde. De groote bitterheid die vóór dien zomer in zijn dagen had gewrangd, was heengezacht op de streelende luwheid van den zomerwind en de goudende lichting der zonnestralen. Hij had geen smart meer gevoeld en ook geen vreugde. De dagen waren egaal over hem gegaan, zonder iets dat uitstond in den zacht-omfloersenden weemoed, waaronder zijn leven onbewust heenschoof. Zonder schokken was de winter in zijn bestaan gegleden ; langzaam, zonder vastgelijnd begin was de veranderde voeling in hem geslopen. De voorbije maanden stonden in zijn herinneren als een zacht-intieme tijd, een
lief-weemoedig kleuren van het licht, dat over
II. 9*