STILLE UREN. 129
vriendschap, die tijd mooide altijd voor hem op uit de staag-doode leegheid van zijn dagen toen. Ook van haar had hij gehouden. Maar dat was niet de liefde geweest, die hij altijd gedroomd had, die hij had gevoeld voor zijn vrouw, die hij zou willen om bij zich te houden als een groot-schijnende lichtheid in zijn leven. En toch had hij van haar gehouden en waren de uren hem bijgebleven met nooit heen-te-schemeren helderheid. Hij zag ze voor zich, de zomerdagen van zonneschijn en blauwe luchten, buiten op het water waar haar teere blondheid kleurde in de stilte van den dag; hij voelde de middaguren van winterlicht en grauwe luchten, onder het staage draden der sneeuwvlokken langs het venster, die een zacht-donze stilte weefden in het vertrek, waarin haar spreken teertragend zong de de woorden van goede liefheid; hij herinnerde de avonden van innig loopen naast zijn gaan, vastleunend op zijn arm, terwijl het geuren van haar goudblond haar duizelde naar hem omhoog.
En toch had hij haar niet lief gehad als zijn vrouw, hij had niet voor haar gevoeld wat hij voelde voor haar die op hem wachtte. Wan-
II.
9