STILLE UREN. 127
de werkelijkheid van het leven, met diep nog in zijn ziel het mooi-willen van het bestaan, het heen zich geven voor het geluk van haar, voor wie hij neerlag in dankende liefde en die hij toch voelde als zijn zwakkere, die hij moest helpen en steunen tegen de harde rauwheid van het werkelijk zijn. Hij had haar geholpen, hij had haar gesteund wanneer hij kon, zooveel hij voelde dwingen in de diepte van zijn ziel, maar zij was gevallen, hij had haar voelen heengaan, machteloos te worstelen tegen de groote duistering van het noodlot. En de gouden juiching van zijn leven was ingezwart tot nooit weer uit te kleuren grauwheid, zijn ziel was geknauwd met nooit weer te herstellen breuk.
Hij hield van de andere, hij hield van haar met een dankbaar-schreiende liefde, dat zij zijn neergewrakte ziel wilde koesteren in de warm-gevende innigheid van haar voelen. Maar het was niet de mooi-hoogende liefde voor zijn vrouw, niet de wijd-duizelende juiching van zang, die hij eertijds had gegalmd en die hij vroeger geloofde dat bij iedere liefde dragen moest door de dagen. Hij hield van de andere, zeker hield hij