STILLE UREN. 125
zijn bestaan, even telkens ophuilend, wanneer de wisseling van het leven rondom aan haar mee-geweest-zijn herinnerde, maar een vaste grauwheid was over zijn ziel gefloersd, een nooit-heen-te-vergeten moedeloosheid, die hij voelde dat in hem zou blijven weenen, telkens opsnikkend in de kleuring der dagen, die nog zouden komen.
Hij was veranderd, een oud-geleefd man. Hij dacht aan zijn nieuwe leven, aan de lange reeks ongekende jaren, die zouden komen. En het vragen angstte in hem op of hij gewoon zou kunnen voortbestaan, terwijl hij de herinnering aan haar meezijn gestadig en langzaam zou voelen heen-dekken achter de veranderde stemming der dagen, of de wroeging niet zou oppijnen in zijn ziel, dat hij haar hier alleen, vergeten, wetenloos terugliet*1 terwijl hij voortging naast een andere vrouw, jong en moedig-lachend tegen het komend leven. Op dit oogenblik hoorde hij al het zachte pijn-schrijnen, nu terwijl hij voor het laatst bij haar was en hij moeilijk zijn denken dwingen kon buiten het meebeelden van de andere, die haar mooie jeugd hem gaf in een wijd-belovende volheid van hoog-offerende liefde.