STILLE UREN. 123
Hij had de bloemen neergestrooid over de planten-begroeide vierkanting van haar graf, waarachter de wit-marmeren blankheid van de steen haar naam te voren staarde naar zijn bewegen.
Het was de laatste keer dat hij hier zou zijn, het laatst dat hij haar zou zien, werkelijk voelend haar neerliggen, zooals haar beeld hem altijd was bijgebleven, nadat hij haar had heengedragen in de geur-blankende witheid der bloemen, die hij rondom haar slapend hoofd had gespreid. Morgen zou hij heengaan, ver heen in de nieuw-kleuring van zijn leven en zij zou terugblijven alleen, eenzaam vergeten onder de vloeiing der dagen, een eeuwig droomlooze slaap in de onbekende duistering van haar dood-zijn.
Eindeloos lang leek de tijd, die was heengejacht tusschen haar weggaan en dit uur, eindeloos de jaren die hij had doorgeleefd na haar dood. Een lange, grauw-ziekende tijd, eentoonig van lichteloozen schemer, een langzaam-doorgemoeid bestaan, waaraan hij niet kon terugdenken zonder ineenkleining van angst, zonder klemmend benauwen diep in zijn borst.
Nu, in de nieuwe waking van zijn leven,