122 STILLE UREN.
dend tusschen de schemer-violette schaduw der donker-uithoekende huizen. Hoog uit de blauw-diepe glanzing der daken grijsde de los-drijvende vaagheid van een licht-doorschijnde koepeling be-weegloos in het dun-teerende licht, waarboven de gouden flikkering vlamde van het nauw-te-ziene beeld, kort-stralend tegen de zonnegloed. En een dun-wevende stilte suisde over de velden, even doorgezucht van ver-nanevelend stadsgeruisch, onduidelijk overvagend op het luw-dragend windzuchten.
Ver in het weiland, tegen de breed-kleuring van de stad, trok de hel-wittende streep van een zandstapeling hard-zuiver boven het groen, die verder en verder werd voorgebracht uit de ongeziene diepte van de rivier. Telkens, in gelijke pozen, schuurde klein-metalend het rollen der ijzeren wagens door de stilte, plotseling uiteenrammelend met rommel-kletterend vallen, waar-tusschen het roepen der mannen dun welfde, kort-inhoudend wanneer de klein-donkere trein weer terugschoof met holler-zwevend geluid. Daarna bleef alles weer roerloos, onder het zachte suizen van den week-blazende voorjaarswind.