STILLE UREN.
119
Het was de avond van een langen dag alleenzijn. Zij had dien dag weg moeten gaan en had hem eenzaam teruggelaten, belovend voor den avond weer terug te komen. Den heelen dag had hij doorverveeld, een ongedurig trachten om te lezen om in zijn vroeger bestaan te komen, telkens neerzakkend het boek op zijn knieën, terwijl hij denkeloos bleef staren naar den rond-stand van de kamer, die dood leek uitgeleefd nu zij plotseling heen was en niet meer haar beweging kleurde tusschen de onverschilligheid der meubelen.
Toen de avond begon te duisteren over zijn lusteloosheid, was hij bij het vuur gaan zitten, op de plaats waar hij eiken avond naast haar zat. En terwijl hij verdrietig staarde naar de leege plaats van haar gewoonlijk zitten, had hij het hooger voelen kroppen in zijn keel, dat zij eens van hem zou heengaan, wanhopig schreiend in zijn borst, dat hij haar nooit zou weerzien en dat hij niet meer buiten haar meezijn kon. Het was opgezacht in de lange uren van zijn onbewust neerliggen, waarin hij haar zag bewegend als zijn vrouw; het was opgebloeid in de uren