STILLE UREN. 117
de werkelijkheid gerustigd. Er waren nog nachten, waarin hij de oud-geweten visioenen zag dwalen rond zijn voelen, maar telkens wanneer hij gemakkelijk wakkerde, wist hij dat het de verpleegster was die naast zijn bed zat en over hem neerboog. En eindelijk had de koorts opgehouden.
Het was een lange hersteltijd geweest, dien hij had doorgezwakt. Langzaam, luidloos slopen de dagen over zijn uitgemoeid liggen, waarin lange uren van wetenlooze slaap braken, en waaruit hij wakkerde moewer dan hij was geweest. Maar zijn ziek-zijn veranderde ongemerkt tot een grooter-krachtigen van zijn lichaam. Hij kon eiken dag opzitten in zijn gemakkelijke stoel, moe nog leunend zijn uitgekoortst hoofd in de kussens, maar toch voelend de weersterking van zijn vroeger gezond-zijn.
Het waren zacht-stille, droom-nevelende dagen geweest, die hij had doorleefd. In de rustig-lichtte kamer, klankte het winter-licht week-kleurend over de meubelen, een teere drooming vagend over zijn zitten, waarin het knap-vlammend snorren van de haard een innig-stemmend toonen zong. Geleidelijk