116 STILLE UREN.
bekkend naast zijn machteloos moeilijken, om helder te wakkeren uit de loode beweegloosheid waarin hij werd gehouden. En het daglicht schemerde langzaam in de angst-gevulde kamer, waarin alles weer gewoon werd van oude bekendheid en hij droomde weer moeliggend voort onder de losse zweving van zijn denken, een tijdeloos-voelende reeks van uren tot den avond, wanneer de snel-wisselende angst-beelding opnieuw huiverde langs den waak-slaap, eindeloos durend in zijn hulpeloos alleen-zijn.
En toen een langen, ongeweten tijd, een groote duistering in zijn herinneren, zonder bewustzijn waar hij was en wat hij leefde en waaruit alleen de weerkomende visioening stond van het leven vóór zijn huwelijk, waaruit alleen de scherp-nalijnende beelding was gebleven van zijn getrouwd-zijn en waarin hij telkens zijn vrouw weerzag, even buigend haar zacht-mooi gezicht over zijn liggen of rustig, stil-pratend woorden die hij kort begreep, terwijl zij naast zijn bed zat, een helder-lieve lichtheid in de donkerte waarin hij steeds weer inzonk.
Meer en meer was zijn verstand weer naar