VIERDE HOOFDSTUK.
Onder de zomer-middagwarmte van den latenvoorjaarsdag, lag het kerkhof eenzaam, stil in de koele schaduwing der hooge hoornen, een zachte, schemerlichte rustigheid in de hel-zonnende leving der ver-uitwijkende weilanden, die glans-groenend strekten naar den horizont, onder de tril-broeiende hitte, die van de blauw-spannende lucht neerstond.
Langzaam liep hij door de lanen, waar zijn stappen moeilijk in het dik-rullend zand dofden, den langgekenden weg dien hij zoo dikwijls al was gegaan, denkeloos dwalend zijn zien over de graven, waarop kleine heen-en-weer schuivende schaduwen bewogen, wanneer de wind even door de zongetopte boomen suisde.
Hij wilde afscheid nemen van het graf van zijn vrouw, de laatste bloemen spreiden over haar neerliggen, zijn laatste dankend groeten voor hij heenging voor altijd en hij haar zou teruglaten, ongeweten tusschen den onverschilligen rondgang der menschen. Morgen was zijn trouwdag, het beginnen van een ander tijdperk van zijn leven en zou hij voor