STILLE UREN. 113
verdriet had weer geklaagd in het diepe binnenste van zijn ziel, een groot, wijd-snikkend medelijden om haar jonge weg-zijn uit de mooie vreugde, die het leven voor haar misschien had kunnen kleuren, maar een zachte berusting was in hem vastgeteerd, de berusting geworden in de lange dagen van zonneschijn en zomergeur, in avonduren van kleur-juichend vlammen van zonnegloed en sterrengoudheid, de neerzachtende berusting, geworden door de eindeloos-kalmende troosting van buitenstilte en de plechtig-omzangende stemming der bosch-beglooide bergen.
En het was hem of hij in de duistere roerloosheid van den nacht zijn toekomst zag lichten in een nieuw-vredende kleur, zacht, teer gefloersd achter de neveling van weemoed, die over zijn leven zou blijven schemeren tot het einde van zijn dagen.
II.s