112 STILLE UREN.
weemoed weefde, eindeloos heenstillend tegen het juichend lichten der jubel-zangende klanken. En de toonen droomden heen, inwevend met de suizende fluistering van het bosch en de stilte stond weer roerloos, een hoog-plechtigende spreiding van eindeloozen rust, wijd-dekkend over de aarde onder het volle duisteren van den nacht.
Hij ging terug naar huis, wonder-voelend de weemoedig-vreugdende stemming waarin hij liep, een lang-niet-gehoorde zanging van krachtend leven, die door zijn lichaam juichte. Hij wist nu dat hij sterk was, dat hij de weervoeling kon verdragen van alles wat zijn vroeger leven herinnerde, hij voelde zijn eigen ik veranderd, krachtig-ge-gegroeid onder de groot-prachtende zegening van het natuurleven, waarin hij die lange maanden had gedroomd. Het was niet meer de gillend-snijdende smart geweest die door hem had gevlijmd, toen hij zooeven de oud-gekende klanken had gehoord, het was niet de wanhopige ellende geweest die vroeger door zijn voelen gekrijscht had, wanneer hij plotseling voor de herinnering stond van alles uit zijn voorbije leven. Hij had den wijden weemoed gevoeld, het nooit-vergetend