STILLE UREN. 111
in de uren van mooi-zonnende ochtenden, onder de heilig-rustige stilte van buiten-zondagen, ’s zomers, terwijl het geuren van bloemen rond haar mooie hoofd lichtte en het kleurend-schitteren der zonnestralen een gouden wolken over haar zitten weefde.
De herinnering van vroeger stond weer omhoog onder het staage zangen der muziek, waarvan de klanken duister-klaagden een nooit-gesproken weemoed van diep-pijnend leed. En de toonen vielen diep, tot een wanhoop-angstende dofheid van oneindige droevenis, telkens weer doorgehuild van een snik-smeekende, schrijn-steunende smart, waarin langzaam, uit de verre duis-tering een dun-zilveren klanken begon te lijnen, wijder-breedend over de donkere doffing van moedeloos verdriet, uitwevend verder en verder tot een hoog-zangende wolking van geluid, een goud-webbend schijnsel lichtend door de duisternis rondom. Weer en weer rees de goudheid omhoog uit de matte dofheid van kort-nabrekend snikken, hooger en hooger, en het was of het bosch vulde met een zacht-mooien schijn, een wijd-vreugdende glanzing van nooit-gevoeld geluk, waarin het weeke vallen der druppels een laatsten