STILLE UREN. 109
al aan het neerschemeren uit de nahelderende lucht. Het was te laat om door het bosch naar huis terug te gaan, langs den weg dien hij was gekomen, en hij liep den straatweg op om een korter boschpad te volgen, dat hij even buiten het stadje wist. Onder de boomen hing de avondstilte beweegloos, zacht doorgeklankt van het langzaam neerklakken der regendruppels op den grond, de week-trillende schemering even telkens doorschoven van het ruischen der vocht-spreidende bladen, wanneer de wind door de boomen streek. In de vaag-nalevende lichtheid van den dag ging hij langzaam voort, luisterend het zacht weven der geheimende boschgeluiden, voorzichtig om het stappen van zijn voeten niet te harden in den teer-omfluisterenden weemoed van den avond.
Plotseling luisterde hij op door het toonen van muziek in de stilte, week aandrijvend van achter het hout in langen afstand, een teer-snikkend droomen van moewe klanken, waarin het vallen der druppels begeleidde een eindeloos-droevend klagen van onzegbaar leed. Een korten tijd bleef hij hooren. Toen, wijkend van den