STILLE UREN 107
naar zijn huis, naar zijn werk, waar hij wist dat de werkelijkheid zou harden tegen de droom-kleurende vaging van zijn mooi heengezacht bestaan der laatste maanden. En toen de regen was opgehouden, was hij de deur uitgegaan, meesoezend het heen-en-weer denken van dien geheelen morgen.
In de goud-lichte stilte waarin hij liep, egaalden ongemerkt zijn gedachten naar den heerlijk-wee-nenden weemoed van het late middaguur, hooger-troostend de kalme ziening van zijn toekomst tegen de moeilijk-gepeinsde weifeling, die in hem had bewogen. Het was of de stil-vredende sterving waarin het landschap guldde, een nooit-gekende ziening voor hem visioende van het leven, een vroeger-nooitgevoelde stemming van neerbuigende berusting voor wat het leven hem brengen zou, zijn eigen menschen-bestaan klein voelend tegen de eindeloos-wijde schoonheid van alles rondom, een vreugdende onverschilligheid voor eigen leed en eigen droefheid, waar alles rondom zoo wijd-omkalmend neerstond, onzegbaar van nooit-te-begrijpen mooiheid. En een week-zangend geluk vreugde in hem omhoog, een zacht-klagend willen