106 STILLE UREN.
Hij had liggen terug-soezen naar zijn leven in de stad, zijn leven van regelmatig bezig-zijn, trachtend voor zich te zetten hoe het zou worden, wanneer hij in zijn vroegere omgeving en in zijn werk zou weer-zijn. En telkens, wanneer hij aan de komende dagen dacht, had hij een vaag-zangende vreugde gevoeld, door het visioen van den geregelden gang der werkuren en had zijn voelen krachtiger voor hem opgestaan, tegen de slap-lammende lusteloosheid van de vroegere maanden, die in hem herinnerde. Maar telkens ook had de vrees in hem opgedreigd, dat hij misschien nog niet sterk genoeg zou zijn om door te voelen wat hij al eens had doorgevoeld, toen hij ook van buiten was teruggekomen in de stad, in zijn kamer, in den weemoed van alles wat hem de voorbije ellende van zijn bestaan herinnerde, angstig dat hij de alleenheid van zijn leven nog niet zou kunnen dragen, wanneer weer alles hem nieuw zou beelden wat hij had doorgeleden, wat ge-wrangd had in zijn leven. En hij was besluiteloos gebleven over wat hij moest doen, nog langer blijven in de mooi-kalmende grootheid der bergen en van de breed-zegenende bosschen, of teruggaan