STILLE UREN. 103
begonnen neer te slaan van den dicht-grauwen hemel, forsch-kletterende regens in stralende wol-king aanjachtend van ver over de damp-omne-velde bergtoppen, in wilde veging zwiepend door het dal, langzaam heenstuwend naar den stillen opstand van het bosch, waarin de suizende scheering van geluid zachter en zachter uitdunde, voortgehelderd door het vocht-kille zonlicht, dat uit de scheurbrokkende drijving der laagwittende wolken plotseling omlaag valschte. Dan, tegen den middag, hield de regen op, de wolken zeilden heen naar den horizont en de hemel strakte in hel-blauwe koelheid boven de wijd-omlichtende zon, beweegloos kleurend over de moe-wiegende pluiming der boomen, heen-en-weer ruischend op het ruk-schokkend waaien van den wind, die telkens luid aanvlaagde uit de verre stilte, in lange ademing uistrijkend naar de ruimte. Wanneer de avond vroeg donkerde over de aarde, stuwden de wolken weer op langs het wegdekkende luchtblauw en in het neerrusten van den wind siepelde de regen weer omlaag, sneller tikkelend over de roerloos-berustende kwijning der takken, uitdekkend tot een staage zweving van