102 STILLE UREN.
loosheid, waarin het geuren der dorrende bladen zacht omhoog wolkte. En de avonden koelden vroeg van den hemel, langzaam-opzwevende nevels blankend boven den grond, die luidloos-ineenvloeiden tot een wijd-dekkende witheid, waaruit de donker-gelichte bergen hieven als uit een beweegloos watervlak. Hoog onder den helder-s tillen hemel plekte de maan in zuiver-glanzende volheid, een zacht-metalend schijnsel kleurend over den laag-dichtenden damp, een teer-raggende webbe van droom-stillend licht wevend over de slapende bergen, waarboven tril-goudend in vagen schijn de sterren spreidden, een eindeloos-reikende vonking van week-ge-heimend leven.
Maar dagen van klare koelheid begonnen op te staan, dagen dat de athmospheer in glazen roerloosheid helderde, een wijde, zuiver-frissche stilte stolpend over het landschap, waar de berin ernstig peinzen hieven naar de wolkgedekte lucht, scherp-geteekend langs de glooiing met het uitdunnend groen der boomen, waartusschen de kale warreling van een afgebladerde takkenstrakheid reeds begon te grijzen. En de najaars-regens