STILLE UREN. 99
kalmd. Dan leek hem al het gebeurde eindeloos voorbij, zonder aanraking met zijn eigen leven, en zag hij alles alsof het met een vreemde was gebeurd, onmachtig om zich waar te dwingen, dat hij het zelf had doorleefd. Dan deed hij moeite om de ellende van dien tijd weer te voelen als toen, woelend in zijn binnenste om de stemming van toen weer te vinden, de pijn-smartende stemming die zoolang in hem had geklemd, maar alleen de herinnering was gebleven, een zacht-grijs-floersende herinnering, doch zonder de hard-schrijnende smart die toen in zijn bestaan had geboord.
Het was of in het voller rijpen van den zomer een dieper-inzachtende berusting over zijn stemming vreedde, een ongemerkt-wennende verzoening met zijn alleen-zijn. Verder en verder stonden de dagen uiteen, waarin hij ’s morgens opstond met een onverklaarbare lusteloosheid, die in hem was opgeslopen in de onbewuste neerligging van zijn slaap, de namatting van zijn droomen die onwetend in hem hadden gebeeld en waarvan de trieste herinnering in hem was gebleven, lijnloos, zonder kleur, alleen duidelijkend