98 STILLE UREN.
heen uit de werkelijkheid van het bestaan, onder de mooi-vredende visioening van de groot-troostende plechtigheid rondom, waarin hij zijn eigen leven nietig voelde, een onverschillig-klein meezijn in de oneindigheid van onzegbaar schoon.
Langzaam, onder de zacht-zonnende vloeiing der zomerdagen, voelde hij zijn denken bedaren tot een kalm-egalende stemming. Wanneer hij nu terugdacht aan^den tijd toen hij nog in de stad was, aan zijn leven in de voorbije wintermaanden, leek het hem of er al jaren waren voorbijgegaan. In de verre wijking van die dagen, begon zijn laatste leven voor^hem te worden als een onduidelijk-naherinnerende droom, een onwaar-angstende verbeelding tegen de werkelijkheid van mooi-heldere ziening, waarin de dagen over hem weggouden. Dikwijls, terwijl hij uren achtereen in de onbewoonde stilte liep, waarin alleen het suizen van den wind door de takken een week geluid trok, dwaalde hij zijn denken terug naar zijn voorbije leven, nazoekend dag na dag wat in de laatste jaren door zijn voelen had ge-wrangd, verwonderd dat de jachtende pijntrilling van zijn ziel tot een egale triestheid was inge-