96 STILLE UREN.
in de donkere neveling van somber grijs, dat laag van den hemel op de aarde neerstond. De schim-ming der wolk-duistering kilde met langer poozen over de velden, langzaam ruimend de heldere kleuring der strak-omlijnde plantenvakken in scha-duwlooze lichtheid, waartusschen het donker-natte wit der wegen slangde naar de verte. En het vlekkelooze, glas-zuivere middaglicht stolpte over de laag-wijking van het wijde dal, de korte heuvelbochting van den grond scherp-schaduwend in donker-liggende plekken, waarin de laatste vochtheid heenijlde, onzichtbaar uitlossend in het hooge luchtblauw.
Wanneer de avondzon begon te gouden over de aarde, de schaduwen langer-rekkend op den grond, de toppen der boomen guldend in zacht-wevenden schijn, ging hij langzaam terug naar huis, droomend op het zacht-schuivelend sleepen van zijn stappen over den droog-gewarmden boschweg en een groote, wijd-rustende vrede kalmde neer in zijn ziel, een zacht-droevende geluksvoeling door de oneindig-mooie troosting die de hoog-rechtende stammen rondom zijn gaan dekten, beweegloos peinzend de draging van hun goud-doorlichte takken onder