STILLE UREN. 95
nevels hangend boven de ineengenatte takken der boomtoppen langs de bergglooiing, heenzuigend in het warm-stralend zonlicht, dat wijder uitstond tusschen de blanke lossing van damp, langzaam kleurend het landschap in nieuw-frisschende helderheid. En hij ging het bosch in, moeilijk loopend in soppend-natte glijding der blad-bedrasde paden, luchtig, diep-ademend de vocht-forsche geuren die omhoog wolkten uit den doorgedrenkten grond, waarin de druppels van de bladeren zwaar klakten, kort neerwisschend wanneer een los windzuchten door de takken streek, een vaag-luidende zanging schuivend door de stilte, die breeder leek neer te welven over het bosch na de tikkelende suizing van geluid die de straal-spattende regen dien ochtend er over had gespreid.
Zijn loopen eindigde meestal ver aan den rand der bergenhoogte, waar het bosch kort ophield boven de wijd-strekkende wijking der velden naar den horizont, en hij bleef er langen tijd, uitziende naar de jachtende duistering der wolkschaduwen, die over de aarde gleden in luidloozen voortgang, plotseling opkomend van heel ver en eindeloos zwevend naar den horizont, waar zij verdwenen