STILLE UREN. 93
die onder de boomen hing, ging hij ergens rusten tot de volle warmte van den dag was heen-gekoeld en hij wandelde rustig-loopend naar huis terug, lange tijden liggend op den mos-zachten grond, waarin hij peins-staarde naar de boomtoppen die ver boven hem zacht-droomend heen-en-weer wiegden tegen het eindelooze lucht-blauw, wanneer de wind week door het bosch streelde.
En wanneer hij t’huis gekomen, bleef neerrusten voor het huis in de langzaam heeninnigende zonnegoudheid van den zomermiddag, die een rood-lichtend schijnsel tooverde langs den dieper-blauwenden hemel waar de stille avondwolkjes luidloos dreven in geheimenden voortgang, zag hij de visioening weer van zijn gaan door het bosch, de beelden van zon-helderend groen en glans-lichtende bloemenkleuren en hij bleef droomen naar den neer-stillenden avond, een diepe fluwee-ling van eindelooze rust, koel-dekkend over de uitgemoeide aarde.
Maar andere ochtenden, wanneer hij wakker werd en zijn gordijnen heenschoof, hing een kil-vochte damp voor het venster, de bergen langs het smalle dal heendekkend achter de dichte