92 STILLE UREN.
ritselend in de donkere spreiding der takken, leefde een vogel onzichtbaar voort, kort tjilpend het zang-toonend fluiten naar de warm-wittende zon, die kleine, rond-trillende plekjes op het bruin-zandende pad schimmelde, witvlekkend tot breede schijnsels van glanzend licht, wanneer de boomkruinen uiteenweken, een wijde schittering plassend in de open grasbehoogde ruimten tusschen de ros-glimmende dofling der denne-stammen, waarin het klein-bladerend groen van een jonge beukenboom helder kleurde. Telkens bleef hij een korte poos staan, luisterend naar de vaag-levende geluiding van het bosch, voorzichtig voortgaande met licht-stappende passen, angstig om in de mooi-kalmende stilte het hard-wezenlijke van zijn meezijn te breken.
En de uren zonden over zijn voortgaan, ongemerkt den dag verrend naar den middag. De zon stond blank-laaiend aan de strakke lucht, luw-wolkende harsgeuren broeiend uit de droog-gehette dennestammen, den bruinen, met doode pijn-naalden gedekten grond glad-schroeiend tot uitbenauwend opslaan van dof-dwelmend luchten. Dan haastend zijn stappen uit de ovende matting