STILLE UREN. 67
van ze zouden denken, van hun plotseling opkomen in hun leven, onwetend van waar zij kwamen en waarheen zij den volgenden dag weer zouden verdwijnen, zonder nablijvende herinnering in den gelijken gang van het bestaan, dat in het stadje eentoonig werd doorgeleefd.
En hij voelde die vragende wondering weer, terwijl hij naar de menschen keek langs wie hij liep, hij voelde erger dan toen de alleenheid van het bestaan, eenzaam, zwijgend tusschen al die vreemden en hij dacht aan de steuning van hun samengaan in de droeve triestheid der doorgeleefde uren toen, aan het gevoel van veiligheid tegen de onbekendheid rondom, wijl zij samen waren en een angstigklagend verdrieten schroefde omhoog in zijn borst, dat hij haar meezijn niet meer voelde en zwaarder dan ooit was de ein-delooze moeheid van duister-leege kleurloosheid van zijn leven na haar dood-zijn op hem gedofd.
Toen hij in zijn hotel was teruggekomen, was hij langen tijd blijven zitten in de kalmende stilte van den nacht, onder het vaag-ruischend geluid dat uit de boomen rondom hem suisde. En zijn