86 STILLE UREN.
waren weer voor hem opgedroefd, het uur van haar sterven had weer in zijn voelen gepijnd, scherp-schrijnend als jaren geleden, toen hij haar voor het laatst naast zich had gezien.
Hij was denzelfden weg teruggegaan naar het stadje. Toen hij in de straten was gekomen, was de duisternis over de aarde gefluweeld, diepe zwartheden van schaduw lagend tusschen den uiteenstand der huizen en onder de colonnaden langs den breeden weg. De lantaarns in het midden waren opgestoken, korte, hoog-starende vlammen vlekkend boven den leeg-liggenden grond. En terwijl hij eenzaam voortliep tusschen de lluister-pratende groepjes van menschen, die laat zaten in den koelen zomernacht, had de herinnering van zijn gelijkbeeldend gaan met haar weer omhoog geweend en had hij de stemming van dien heelen avond weer gevoeld. Samen hadden zij geloopen in dezelfde omgeving, met hetzelfde fluisterspre-ken der onverschillige menschen om hen heen, in de vaagdroevende gedachte, dat zij eenzaam, onbekend gingen tusschen allen, die met elkaar waren bevriend. En een vreemde wondering was in hen opgevraagd over wat die menschen wel