STILLE UREN. 85
der rommeling van stadsgeluiden rondom haar neerliggen, zonder de hard-vreemde onverschilligheid van stadsklanken die zouden breken in haar laatste luisteren, terwijl haar laatste zien zou meemooien de wijd-ruime visioening der vredend-groene bergen, waarover de zon een tooverende lichtheid kleurde en haar laatste ademen zou heenzuchten naar den eindeloos-hlauwen hemel, dat zij zou weggaan naar de onbekende duiste-ring onder het zweefsprokend klanken van het water, dat weeker en weeker in haar laatste meeleven zou lieven.
Het had niet mogen zijn. Zij was gestorven onder het ruw-wilde schudden van den killen wind, het laatst ziende in de lichtlooze doffing van haar goede oogen den grauwen opstand van hard-strakke muren, waarover het vuile stadslicht droop, vaal-mattend uit de somber-lagende wolken; zij was heengegaan, tusschen de kleurlooze omneveling van nooit-rustend stads-gewoel en jachtend menschenleven, onverschillig dekkend over haar doodliggen een groezeling van tintloos geluid.
En de laatste dagen van haar ziek-liggen